Labradoriet is een calcium-natriumveldspaat uit de plagioklaasreeks, (Ca,Na)(Al,Si)4O8 met 50 tot 70 procent anortietcomponent, met een hardheid van 6 tot 6,5 op de schaal van Mohs, die blauw of groen oplicht doordat licht weerkaatst tussen uiterst dunne, gelaagde structuren in het kristal.

| Kenmerk | Labradoriet |
|---|---|
| Samenstelling | (Ca,Na)(Al,Si)4O8, plagioklaas met An 50 tot 70 |
| Kristalstelsel | Triklien |
| Hardheid (Mohs) | 6 tot 6,5 |
| Dichtheid | 2,68 tot 2,72 g/cm3 |
| Kleur | Grijs tot donkergrijs basismateriaal, met blauwe, groene, gouden of paarse gloed |
| Glans | Glasglans, perlemoerachtig op splijtvlakken |
| Splijting | Goed volgens twee richtingen, met een hoek van bijna 90 graden |
| Belangrijkste vindplaatsen | Nain en Paul Island (Labrador, Canada), Ylämaa (Finland), Toliara (Madagaskar), Zjytomyr (Oekraïne) |
Wat is het
Labradoriet is een veldspaat, en veldspaten vormen samen bijna zestig procent van de aardkorst. Binnen die groep hoort labradoriet bij de plagioklazen: een doorlopende reeks van albiet, het natriumeinde, naar anortiet, het calciumeinde. Onderweg tussen die twee uitersten wisselen natrium en calcium elkaar in het rooster af, waarbij ook de verhouding van aluminium tot silicium meeverandert om de lading in balans te houden. De naam labradoriet is gereserveerd voor het deel van de reeks met 50 tot 70 procent anortietcomponent. Het is dus geen mineraal met één vaste formule, maar een genoemd stuk van een reeks.
Als gesteentevormend mineraal is labradoriet onopvallend: grijs, doorschijnend tot ondoorzichtig, met twee goede splijtrichtingen die bijna een rechte hoek maken. Wat labradoriet bijzonder maakt, is het optische effect dat naar de steen is genoemd: labradorescentie. Kantel een gepolijst stuk en er schuift een blauwe, groene of gouden gloed over het oppervlak, die bij de ene stand fel is en bij de andere helemaal verdwijnt.
Die gloed is geen pigment en geen fluorescentie. Binnen het kristal zitten uiterst dunne, evenwijdige lamellen met een periodiciteit in de orde van 130 tot 300 nanometer, dus in de grootteorde van de golflengte van zichtbaar licht. Licht dat de steen binnenkomt, weerkaatst deels op elk grensvlak tussen die lamellen. Bij een bepaalde invalshoek versterken die weerkaatsingen elkaar voor één golflengte en doven ze elkaar uit voor andere: precies hetzelfde mechanisme als de kleuren van een oliefilm op water of een zeepbel. Welke kleur je ziet, hangt af van de laagdikte, en omdat de dikte per stuk verschilt, verschilt de kleur per steen. De lamellaire structuur die dit veroorzaakt heet de Bøggild-intergroei, naar de Deense mineraloog O.B. Bøggild.
Hoe het ontstaat
Labradoriet kristalliseert uit magma, in basische intrusiegesteenten: gabbro, noriet, anortosiet en basalt. Het mineraal groeit vroeg in de afkoeling, samen met pyroxeen en olivijn, en vormt in anortosieten soms kristallen van decimeters groot.
De gloed ontstaat pas daarna, en alleen onder een strikte voorwaarde: het gesteente moet extreem langzaam zijn afgekoeld. Bij hoge temperatuur mengen natrium- en calciumrijke plagioklaas zich vrijelijk in één rooster. Bij lagere temperatuur bestaat er in een bepaald samenstellingsgebied, ruwweg tussen 47 en 58 procent anortiet, een mengingsleemte: de twee soorten willen niet meer door elkaar zitten. Als de afkoeling snel gaat, blijft het mengsel in die ongemakkelijke toestand bevroren en gebeurt er niets. Gaat de afkoeling over duizenden tot miljoenen jaren, dan ontmengt het kristal zich in laagjes die afwisselend iets calciumrijker en iets natriumrijker zijn. Die laagjes zijn de lamellen die het licht laten interfereren.
Dat verklaart waarom labradorescentie niet in elke labradoriet zit, en waarom de mooiste stukken uit grote, diepgelegen intrusielichamen komen: alleen daar was de afkoeling traag genoeg. Het verklaart ook waarom de gloed richtingsgebonden is. De lamellen liggen in één vlak, dus wie een steen verkeerd doorzaagt, verliest het effect. Slijpers oriënteren een stuk daarom eerst op de gloed en zagen daarna.
Waar het vandaan komt
De steen is genoemd naar de plek waar hij in 1770 werd opgemerkt: Paul Island bij Nain aan de kust van Labrador in Canada, waar Moravische missionarissen het opvallende materiaal aantroffen. Abraham Gottlob Werner gaf het mineraal in 1780 zijn naam. Het anortosietmassief van Nain levert nog steeds materiaal.
De bekendste kwaliteit komt uit Finland, uit Ylämaa in het zuidoosten van het land. Dat materiaal toont vaak het volledige spectrum aan kleuren in één steen en wordt onder de handelsnaam spectroliet verkocht. Het voorkomen werd in 1940 ontdekt tijdens werkzaamheden aan de Salpa-verdedigingslinie; commerciële winning en verwerking kwamen vanaf 1973 op gang. Spectroliet is geen apart mineraal maar een variëteit van labradoriet.
Het meeste materiaal in de handel komt vandaag uit Madagaskar, uit de provincie Toliara in het zuidwesten. Verder zijn Oekraïne, met de anortosieten van de regio Zjytomyr, en Rusland belangrijke bronnen, en komt labradoriet ook uit Mexico, Noorwegen en de Verenigde Staten.
Wat er over gezegd wordt
Dit deel beschrijft geschiedenis en overtuigingen: wat er over labradoriet is gezegd en geloofd, niet wat de steen doet.
Labradoriet heeft geen klassieke oudheid. De steen is pas in 1770 in de Europese wetenschap beschreven, en de mythologie eromheen is dus jong. Wel bestond er bij de Inuit van Labrador een verhaal dat in de negentiende en twintigste eeuw is opgetekend en veel wordt geciteerd: het noorderlicht zou opgesloten hebben gezeten in de stenen aan de kust, tot een reiziger er met zijn speer op sloeg en het grootste deel van het licht vrijliet. Wat in de stenen achterbleef, is de gloed die je nu ziet. Dit verhaal circuleert in verschillende versies en is in de literatuur moeilijk tot één oorspronkelijke bron terug te voeren, dus het is met die kanttekening interessant: een mooie en vaak navertelde overlevering, geen gedocumenteerde precontactmythe.
In Europa werd labradoriet in de late achttiende en negentiende eeuw een modesteen. Het materiaal was nieuw, onbekend en optisch spectaculair, wat goed paste in een tijd waarin verzamelaars natuurkabinetten inrichtten. Het werd in sieraden gezet en in Frankrijk en Rusland ook als decoratief steenwerk in interieurs gebruikt. In Finland is spectroliet sinds de tweede helft van de twintigste eeuw een nationaal trots product en wordt het in sieraden en gedenkstukken verwerkt.

In de kristalpraktijk
Labradoriet wordt in de kristalpraktijk graag de steen van transformatie genoemd. Dat past bij het effect waar de steen om bekendstaat: kantel hem, en de kleur schiet van doof grijs naar een felle blauwgroene gloed. Iets verandert zichtbaar voor je ogen, en die overgang is precies waar de symboliek aan is opgehangen. In de chakraleer wordt labradoriet meestal aan het derde oog gekoppeld, soms ook aan de keel, de twee centra die in die traditie doorgaans met intuïtie en eerlijke, open communicatie worden verbonden. Denk aan een verhuizing. Een nieuwe baan. Het einde van iets. Mensen die door zo’n grote verandering gaan, kiezen labradoriet vaak juist om die reden.
Een steen als metgezel voor een overgangsperiode. Therapeuten en coaches die veel met andermans emoties werken, dragen er soms een hanger van. De gedachte erachter: een grens bewaken tussen wat van henzelf is en wat van een cliënt komt. Op een bureau, bij iemand met een intuïtief of creatief beroep, zie je regelmatig een gepolijst stuk liggen. Meestal precies op de plek waar het licht valt, zodat de gloed zichtbaar blijft.
Waar die associatie met intuïtie vandaan komt, ligt voor de hand. Het optische effect zelf blijft verborgen tot je goed kijkt en is dan ineens overduidelijk, alsof er iets wordt onthuld dat er al die tijd al was. Diezelfde logica gaf de Inuit van Labrador, lang voordat er iets als een chakraleer bestond, al een verhaal over noorderlicht dat in de stenen zat opgesloten en er bij toeval weer uit vrijkwam. De moderne kristalpraktijk heeft dat beeld overgenomen en er, decennia later, een psychologische laag overheen gelegd. Mooi verhaal. Geen aangetoonde eigenschap van veldspaat.

Herkennen en verzorgen
De gloed zelf is de beste echtheidstest, omdat hij zich moeilijk laat imiteren. Draai de steen langzaam onder één lichtbron: bij echte labradoriet verschijnt en verdwijnt de kleur bij bepaalde hoeken en beweegt hij als een vlak over het oppervlak, niet als losse glinsterpuntjes. Losse glittertjes die vanuit elke hoek fonkelen, duiden op een ander materiaal, bijvoorbeeld geglitterd glas of zonnesteen met hematietplaatjes. Het basismateriaal van labradoriet is grijs tot bijna zwart en meestal doorschijnend aan dunne randen.
Wat je wel tegenkomt, is misleidende naamgeving. “Regenboogmaansteen” is mineralogisch gezien labradoriet en geen maansteen. Andersom wordt labradoriet soms als “spectroliet” verkocht zonder dat het uit Finland komt. Labradoriet met hardheid 6 tot 6,5 laat zich krassen door kwarts en door een stalen mespunt met enige druk, en is dus kwetsbaarder dan de kwartsstenen.
Labradoriet mag kort water zien: lauw water, geen zeep, meteen afdrogen. Langdurig weken is niet aan te raden, omdat de steen goede splijtrichtingen heeft en water in fijne barstjes kan kruipen. Geen ultrasoon bad en geen stoomreiniger, want juist die splijting maakt het materiaal gevoelig voor trillingen en temperatuurschokken. Zonlicht doet de gloed niets; die komt van structuur en niet van pigment. Bewaar gepolijste stukken apart, want kwartszand en andere edelstenen krassen het oppervlak en dat is precies waar de gloed van afhangt.
Veelgestelde vragen
Waarom licht labradoriet blauw of groen op? Door interferentie van licht tussen uiterst dunne lamellen in het kristal, de Bøggild-intergroei. Het is optiek, geen pigment.
Waarom zie ik de gloed maar vanuit bepaalde hoeken? Omdat de lamellen in één vlak liggen. Alleen bij de juiste invalshoek versterken de weerkaatsingen elkaar.
Is labradoriet hetzelfde als maansteen? Nee. Maansteen is een kaliumveldspaat met een melkwitte schijn. Wat als regenboogmaansteen wordt verkocht, is doorgaans labradoriet.
Hoe hard is labradoriet? 6 tot 6,5 op de schaal van Mohs, dus zachter dan kwarts. Kwartszand en andere edelstenen krassen het.
Mag labradoriet in water? Kort, lauw en zonder zeep, daarna direct afdrogen. Geen ultrasoon bad en geen langdurig weken.
Verbleekt de gloed? Nee. Het effect komt van de structuur van het kristal, niet van kleurstof, en verdwijnt dus niet door licht.
Nuance
Er is geen wetenschappelijk bewijs dat labradoriet of enige andere edelsteen ziekten geneest, klachten verhelpt of lichamelijke of geestelijke processen beïnvloedt. Wat onder “Wat er over gezegd wordt” en “In de kristalpraktijk” staat, is traditie, overlevering en toeschrijving. De gloed van labradoriet is een goed begrepen optisch verschijnsel en geen aanwijzing voor energie. Een steen is geen medicijn en geen vervanging voor medische of psychologische zorg. Heb je klachten, ga dan naar een huisarts.
Bekijk de gepolijste labradoriet in /shop/labradoriet/.

Labradoriet uit de voorraad
Gepolijst, zodat de gloed bij het kantelen van het stuk goed te zien is.